Flexibele kapitalisatiefactoren bij WOZ-waardebepaling

  • Overige heffingen
  • 18-07-2024

Op 31 juli 2020 heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam de WOZ-waarden voor het jaar 2019 vastgesteld van meerdere onroerende zaken, variërend van € 197.000 tot € 1.814.000. De eigenaar van de onroerende zaken heeft bezwaar aangetekend tegen de waardevaststellingen, maar deze zijn ongegrond verklaard. Hierop heeft de eigenaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde de meeste beroepen ongegrond, maar voor enkele objecten werd een compromis bereikt en zijn de waarden aangepast. De eigenaar ging daarna in hoger beroep.

Geschilpunt in hoger beroep

Het belangrijkste geschilpunt in hoger beroep was of de heffingsambtenaar verplicht is om voor alle objecten binnen één gebouw dezelfde kapitalisatiefactor toe te passen. De eigenaar betoogde dat dit wel het geval moet zijn en dat, indien verschillende kapitalisatiefactoren werden toegepast, de laagste factor voor alle objecten binnen het gebouw gehanteerd zou moeten worden.

Uitspraak van het hof

Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar niet verplicht is om dezelfde kapitalisatiefactor voor alle objecten binnen één gebouw te gebruiken. De waarde van onroerende zaken wordt vastgesteld op basis van de vrije bewijsleer. De vrije bewijsleer betekent dat de heffingsambtenaar, afhankelijk van de feitelijke situatie, met verschillende factoren rekening kan houden, zoals de aard en functie van de objecten. De heffingsambtenaar heeft in dit geval voldoende aangetoond dat de gehanteerde WOZ-waarden niet te hoog zijn vastgesteld. Dit werd ondersteund door vergelijking met verkoop- en huurtransacties van passende en vergelijkbare andere objecten. Het hof concludeerde dat de heffingsambtenaar in zijn bewijslast is geslaagd.

Verzoek om vergoeding van immateriële schade

De belanghebbende had tevens een verzoek ingediend voor een vergoeding van immateriële schade vanwege de lange duur van de procedure. Dit verzoek is door het hof afgewezen, aangezien de behandeling van het hoger beroep binnen de redelijke termijn van twee jaar viel.

Conclusie

Deze uitspraak is van belang voor de vaststelling van WOZ-waarden, omdat het bevestigt dat de heffingsambtenaar niet gebonden is aan één uniforme kapitalisatiefactor voor verschillende objecten binnen één gebouw, zolang hij maar aannemelijk kan maken dat de gehanteerde waarden niet te hoog zijn. Dit biedt gemeenten de flexibiliteit om rekening te houden met de specifieke kenmerken van ieder afzonderlijk object bij de waardebepaling. Ook onderstreept het arrest de noodzaak voor belanghebbenden om bij het aanvechten van WOZ-beschikkingen goed onderbouwde argumenten aan te dragen. Algemene bezwaren zonder concrete onderbouwing zullen doorgaans niet volstaan om de vastgestelde waarden succesvol aan te vechten.

Vooruitbetaalde zorgpremie geen aftrekbare schuld in box 3

  • Inkomstenbelasting
  • 30-04-2026

Een vrouw moet haar huurtoeslag over 2021 terugbetalen, omdat haar box 3-vermogen te hoog is. Om haar vermogen te verlagen, probeert zij vooruitbetaalde zorgpremies als schuld op te voeren. Aangifte en huurtoeslag Voor het jaar 2021 doet de vrouw...

Lees meer

Kleine AOW, grote gevolgen

  • Sociale verzekeringen
  • 30-04-2026

Een vrouw ontvangt een AOW-uitkering van slechts € 328 per jaar. Daarnaast ontvangt zij ruim € 26.000 aan Duits pensioen. Door die minimale AOW is zij in Nederland verzekerd voor de Zorgverzekeringswet (Zvw). De Zvw-heffing wordt berekend...

Lees meer

Aftrek maximaal 19 cent per kilometer

  • Ondernemingswinst
  • 30-04-2026

Een krantenbezorger rijdt jaarlijks ruim 20.000 kilometer met zijn eigen auto, zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. In zijn aangifte brengt hij 40 cent per kilometer in aftrek. De inspecteur staat slechts 19 cent toe. De bezorger distribueert...

Lees meer